Grammaire néerlandaise

X.Le verbe

Le présent

 

Le néerlandais est une langue simple : au présent, il n'y a qu'une conjugaison (contre cinq en français). Tous les verbes se conjuguent sur le même modèle, à partir du RADICAL[1].

 Luisteren

ik

luister1

-

je

luistert

-T

u

luistert

-T

hij

luistert

-T

ze

luistert

-T

we

luisteren2

-EN

jullie

luisteren

-EN

ze

luisteren

-EN

1                    gaan     ik ga

1                    doen     ik doe

2                    gaan     we, jullie, ze gaan

3                    doen     we, jullie, ze doen

Exceptions

zijn

   hebben

ik ben

   ik heb

je bent

   je hebt

u bent

   u hebt, u heeft

hij is

   hij heeft

ze is

   ze heeft

we zijn

   we hebben

jullie zijn

  jullie hebben

ze zijn

  ze hebben

mogen

   kunnen

   willen

   komen1

je mag

   je kan, je kunt

   je wilt, je wil

   ik kom

u mag

   u kan

   u wilt

   je komt

hij mag

   hij kan

   hij wil

   u komt

ze mag

   ze kan

   ze wil

   ze komt

we mogen

   we kunnen

   we willen

   we komen

jullie mogen

   jullie kunnen

   jullie willen

   jullie komen

ze mogen

   ze kunnen

   ze willen

   ze komen

1      le radical est la partie du verbe qui reste lorsque l'on retire la terminaison -EN.

2     le radical de luisteren est luister-

3         Attention il faut appliquer les règles d 'orthographe (voir page 1-2):

4         kopen           koop-

5           wedden        wed-

6           reizen           reis-

 

Attention :

Il n'y a jamais de terminaison -T à la 2è personne du singulier lors d'une inversion

                   welke krant lees je ?

                   Wat doe je ?

                   Wie ben je ?

                   waarom antwoord je niet ?