Grammaire néerlandaise

XVIII. La négation

 

La négation s'exprime par NIET ou GEEN

 

Emploi :

 

A. GEEN   s'emploie avec :

 

a) un substantif indéfini (= "pas un, pas de, pas des..." en français)

                   Dit is geen wagen  (= ceci n'est pas une voiture)

                   Dit is geen water (= ceci n'est pas de l'eau)

                   Dit zijn geen vogels (= ce ne sont pas des oiseaux)

 

Attention : Certains articles définis en français correspondent à  une absence d'article en néerlandais. A la forme négative on emploie donc GEEN

                   Ik spreek Engels             Ik spreek geen Engels

                   Ik heb tijd                       Ik heb geen tijd.

 

b) des chiffres

                   Heb je geen duizend frank ?

                   Het is nog geen twaalf uur.

 

B. NIET

 

NIET s'emploie dans tous les autres cas (adjectif, adverbe, etc...)

                   Hij komt niet dikwijls;

                   Hij is niet groot.

 

Place de NIET : voir chapitre "construction de la phrase"

 

C. NEGATIONS DIVERSES

 

NE... PLUS = NIET... MEER

NE... PLUS DE = GEEN...MEER

 

Hij komt niet meer

De muur is niet wit meer.

Ik heb geen water meer.

 

NE PAS ENCORE = NOG NIET

NE PAS ENCORE DE = NOG GEEN

 

                   Ik heb Jan nog niet gezien.

                   Ik heb nog geen water.

 

NE ...JAMAIS = NOOIT

 

                   Hij heeft me nooit betaald.

 

Attention:

jamais (= déjà, un jour) = ooit

                   Heb je ooit zoiets gezien ? (= As-tu jamais vu une chose pareille ?)

 

(NE)...RIEN = NIETS

 

                   Ik heb niets gekregen.

 

NI... NI... = NOCH... NOCH...

 

           Noch mijn vader, noch mijn moeder willen me helpen.